Ingevolge artikel 13b Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang indien in (voor het publiek toegankelijke) lokalen een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet (waaronder softdrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Van deze bevoegdheid wordt echter geen gebruik gemaakt voor zover de coffeeshop valt binnen het lokale beleid en men zich houdt aan de landelijk ontwikkelde AHOJ-G criteria (verbod om te Afficheren, Harddrugs te verhandelen, Overlast te veroorzaken en Jeugdigen toe te laten en Grote hoeveelheden te verhandelen of op voorraad te hebben). Als uitvloeisel van gewijzigd gemeentelijk beleid dienden 26 exploitanten van Amsterdamse coffeeshops in een aantal in een Strategienota genoemde straten hun onderneming te staken. De gedurende vele jaren aan hen afgegeven gedoogverklaringen werden op grond van dit nieuwe beleid niet langer verlengd. De exploitanten waren het daar niet mee eens en vroegen de rechtbank om een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig handelde door de gedoogverklaringen niet te verlengen. Daartoe werd onder meer betoogd dat het gewijzigd coffeeshopbeleid was ingegeven door (economisch-) ruimtelijk beleid en niet door motieven ontleend aan de volksgezondheid of de openbare orde. Ook betoogden de exploitanten dat het feit dat geen enkele financiële compensatie werd geboden de uitvoering van het nieuwe beleid jegens hen onrechtmatig maakte.

23-12-2017 Bron: www.binnenlandsbestuur.nl   lees hier het volledige artikel